Nick: vrijwilligerswerk weeshuis Pokhara

Het weeshuis waar ik vrijwilligerswerk zal gaan doen bevindt zich in een stad 200 km ten westen van Kathmandu. Met een toeristbus (wat niet synoniem is voor comfortabel) rij ik in 7 uur naar een stad die ligt aan een gigantisch blauw meer. De stad is voor veel toeristen het beginpunt van de trekkingen door de Himalaya.

Mijn kamer heeft uitzicht over het toeristische hart van de stad; LakeSide, Daar bevinden zich de meeste hotels en drinken toeristen een biertje in “Club Amsterdam”, waar anders dan de naam doet vermoeden zowel de inrichting als de kaart in niets aan onze hoofdstad doet denken. Het doet de sfeer niet ten onder, want dit is dè plek waar mensen die de volgende dag de Himalaya zullen beklimmen hun voorlopig laatste biertje drinken samen met de mensen die hun eerste drinken, nu ze terug komen van hun tocht. Krisnha loopt met me mee richting weeshuis, om de 10 meter stopt hij om me te vertellen hoe blij hij is met mijn komst. Dat wordt steevast extra kracht bijgezet
door een “man hug”. Dat hij blij met me is moge inmiddels duidelijk zijn. Het weeshuis is gevestigd in een prachtig groot pand aan de rand van de stad, met vol uitzicht op de bergen. De zeven kinderen die het weeshuis telt hebben een klaslokaal, groetentuin en een groot stuk gras tot hun beschikking.

De huismoeder heet Hima en is een 23e jarige vrouw, die trouwde op haar 16e met een man die een jaar geleden uit een boom viel, waardoor ze weduwe werd. Hij liet haar achter met een zesjarig kind.  Sindsdien werkt ze in het weeshuis. Een baan van 24 uur per dag en 7 dagen per week. Je kan moeilijk de kinderen zonder toezicht achterlaten. Omgerekend krijgt ze 250 euro voor een maand werk, wat gezien het aantal uren zelfs voor Nepalese begrippen niet veel is, al hebben veel mensen het slechter.

In het weeshuis geef ik ’s ochtends Engelse lessen, waarna ik met ze ontbijt (Dhal Bhat) en ze help hun tanden te poetsen. Het is werkelijk vreselijk om te zien dat elk kind een mond vol met zwarte, afbrekende tanden heeft. En ondanks het feit dat ze er hun mond vol mee hebben, zien ze de noodzaak van goed poetsen niet in. Het is werkelijk een crime voor hen, om twee maal daags, twee minuten lang ermee bezig te zijn en het maakt me zeker niet populair dat ik streng de tijd bij houd. Waar ik wel geliefd door word is het stoeien dat ik elke dag met ze doe. Door het kietelen, rennen en ravotten hebben ze de tijd van hun leven. De aandacht zijn ze helemaal niet gewend. Het stoeien krijgt al snel de naam: “Play” en ze doen dat het liefst elk moment van de dag. Ze hebben in het weeshuis dan ook helemaal niks. Het eerder genoemde klaslokaal kent banken en een schoolbord, maar papier en krijt ontbreekt.

Het grasveld is uitstekend om op te spelen, al hebben ze daar geen speelgoed voor. De slaapkamer bevat één bed waar de helft van de kinderen in slapen, de andere helft slaapt op de grond tussen de stapels eigen kleding, aangezien ze daar geen kast voor hebben. Vitaminen krijgen ze niet binnen, omdat er geen geld voor fruit is. Ze missen hier dus duidelijk het een en ander.

Wanneer ik de tweede dag na mijn lunch terug kom in het weeshuis, zitten alle kinderen en huismoeder in de zon druk met elkaar te kletsen. Bijna alle kinderen, want er ligt één voor Pampus in het midden van de groep. Ik vraag de huismoeder wat er met hem is, waarop ze zegt dat hij ziek is. Ik voel dat hij inderdaad hoge koorts heeft, wat duidelijk maakt dat de huismoeder niet een van de slimste is. Een kind met hoge koorts laat je mijns inziens niet in de brandende zon liggen. Ik til Birij naar binnen, leg het in bed, en geef hem een aspirine met wat water. Helemaal gerust ben ik er niet op, dus ik hou een oogje in het zuil. Toen het die avond nog niet beter met hem ging, besloot ik maar te blijven slapen in het weeshuis. In een aparte kamer leg ik het jongetje op een afneembaar matrasje op de grond (hij schijnt een bedplasser te zijn). Ik zelf ga in een bed ernaast liggen, en hoop dat hij een goede nacht zal maken. Die nacht checkte ik nog een paar keer zijn temperatuur, gaf hem meer water en toen ik die volgende morgen wakker werd, zag ik dat hij naast me in bed was gekropen en in een diepe slaap verzonken was. Wat was dat een zoet gezicht. Hij was duidelijk weer beter, maar ik liet hem, terwijl ik de huismoeder met het ontbijt hielp, nog maar even in dat, gezien zijn lengte, kingsize bed liggen.

Die ochtend arriveerde er een nieuwe vrijwilliger. Haar naam was Katy en ze kwam uit Australië. Omdat de kinderen vrijwel nooit van het afgebakende terrein van het weeshuis komen, besloten Katy en ik ze mee te nemen voor een picknick. De kinderen waren hierover erg enthousiast, maar dat viel in het niets in vergelijking met de reactie van de huismoeder, Hima. Ze wist niet wat haar overkwam, ze was dolblij, wat heet, hysterisch! Vervolgens had ze de grootste moeite met het uitkiezen van de juiste kleding voor het uitje, wat Katy en mij de tijd gaf om de broodjes te smeren. Toen ook Hima er klaar voor was, vertrokken we richting het meer, met 7 kinderen en een hysterische huismoeder. Normaal gesproken loop je in 20 min naar het meer, maar nu met de kinderen erbij, was het een tocht van meer dan een uur. Ze vonden het fantastisch en dan hadden ze de sandwiches nog niet eens gehad! Op de weg terug bleek eigenlijk hoe moe de kinderen waren. Zo moe, dat ik besloot er een op mijn nek te laten zitten en een ander kind in mijn armen nam. Katy deed hetzelfde. Ek-Badhur die in mijn armen lag, viel gedurende de wandeltocht, in slaap en werd niet eerder wakker voor ik hem zachtjes op de grond van het weeshuis legde. Wat was dat een vreselijk zoet gezicht!

Terug